In Japan loopt jaarlijks het gansche volk uit voor de bloeiende kersenbomen, hier voor de bloeiende heide. Op nieuwssites en sociale media vliegen de foto’s en dronebeelden van bloeiende heidevelden je om de oren en zowat iedereen van Staatsbosbeheer tot Flow Magazine publiceert top-zoveels van heidewandelingen. Vooral voor natuurbeheerders vind ik dit vreemd want de afgelopen paar jaar liep de drukte op de hei zo de spuigaten uit dat ze mensen juist opriepen níet meer te komen.

Ik zelf ben deze week op vakantie op de Veluwe dus de bloeiende heide ligt letterlijk in mijn achtertuin – en trouwens ook in mijn voortuin.

Er zijn meerdere heidesoorten maar de soort die op dit moment bloeit is de meest bekende, namelijk Struikhei (Calluna vulgaris). Dankzij de natte zomer is de typisch heideachtige zachtpaarse kleur dit jaar nog intenser dan anders.

Voor in de tuin zijn er cultivars in vele tinten die zijn afgeleid van zachtpaars zoals karmijnrood en paarsroze, en in het wit. Daarbij brengen kwekers niet alleen variatie aan in de bloemkleur maar bijvoorbeeld ook in de groeiwijze (kruipend of juist opgaand, gedrongen of juist wat losser), de hoogte, de bloeitijd en de kleur van het loof. Voor iedere heideliefhebber is er wat wils. Zo is de aantrekkingskracht van ‘Lord John Charrington’ het loof dat in de herfst verkleurt van goudgeel naar brons en van ‘Gold Haze’ het goudgele loof dat juist níet verkleurt door het jaar heen. Ook interessant is de bekende cultivar ‘Marleen’, met tweekleurige bloemknoppen: wit met een paarsrode punt die later ook verkleurt naar paarsrood. Hij is ook geliefd omdat hij lang bloeit, van september tot diep in november.

Heideplanten zijn geliefd, ook voor in potten, omdat ze zowat de enige planten zijn die de hele winter kleur bieden. In de jaren ’70 en begin jaren ’80 waren ze zelfs zo populair dat zogeheten heidetuinen een rage waren. Daarin werd het heidelandschap min of meer nagebootst met onder andere verschillende kleuren en soorten heide, siergrassen en (dwerg)coniferen. Ze pasten in de smaak van toen. Veel tuinbezitters lieten zich daarnaast verleiden door het feit dat onkruid in volgroeide heidetuinen nauwelijks kans krijgt, waardoor ze ondershoudvriendelijk zouden zijn.

Heidetuin op de Floriade van Amsterdam in 1982.
Foto Heidevereniging Ericultultura

Ik vind het frappant dat Mien Ruys, misschien wel de meest toonaangevende Nederlandse tuinontwerper van die tijd en o.a. bekend vanwege het toepassen van spoorbielzen in tuinontwerpen, juist geen fan was van heidetuinen. Ze suggereren een onbegrensdheid die er nu eenmaal niet is in een tuin, vond ze, en ze zien er het hele jaar door ongeveer hetzelfde uit.

Dat laatste gingen veel bezitters van heidetuinen na verloop van tijd ook inzien, dus gooiden ze hun heideplanten er weer uit of ze mixten ze met andere planten. Voor liefhebbers van groen en tuinieren lijkt het me inderdaad saai en beperkend, zo’n tuin waarin je niet zomaar een spontane aanwinst uit het tuincentrum een plekje kunt geven.

Mensen zonder groene vingers liepen er tegenaan dat heidetuinen toch nog behoorlijk arbeidsintensief zijn. Zo stellen heideplanten behoorlijk wat eisen aan de bodem. Die moet licht zurig en goed doorlatend zijn, iets wat niet makkelijk te realiseren is op de kleigrond in grote delen van ons land. Bovendien is heide in feite geen plant maar een heester dus moet het ieder jaar deskundig worden gesnoeid, anders verhout het en verandert het in een grauwe, vormeloze kluwen.

De wilde heidevelden hier op de Veluwe zijn dankzij alle regen van dit jaar allesbehalve grauw. Het onderhoud wordt veelal gedaan door kuddes schapen. En ja, de uitzichten lijken eindeloos. Mien Ruys had volkomen gelijk dat je dat weidse gevoel niet kunt bereiken in de gemiddelde Nederlandse tuin en ik begrijp heel goed dat mensen graag hiervan komen genieten. Maar niet te massaal graag want dan wordt het inderdaad te druk rond mijn hutje op de hei.

Categorieën: Blog